Om te ontdekken wanneer onderhoud nodig is, is het nodig om ‘falen’ te definiëren. De traditionele insteek is dat installaties vaker uitvallen als ze ouder worden. De oude definitie van ‘falen’ is dat de installatie stopt met werken en niet langer functioneert.

Studies hebben uitgewezen dat het merendeel van falen niet aan leeftijd kan worden gerelateerd. In de nieuwe definitie van falen wordt er vanuit gegaan dat alle componenten in een installatie direct beginnen te slijten. Het maakt dan niet uit of dat component nieuw wordt aangebracht, of dat het gereviseerd terug geplaatst wordt. Alle installaties komen op een punt, dat ze niet meer aan de gestelde eisen kunnen voldoen. Wanneer dit punt wordt bereikt is niet direct te voorspellen. Het kan veel eerder voorkomen dan verwacht, of pas na jaren van gebruik.

Als het component of de installatie helemaal geen uitvoer meer heeft, is het in een staat van functieverlies. Als er nog een gedeeltelijke uitvoer is, maar het voldoet niet aan de gewenste uitvoer, is er een verstoring van de reguliere uitvoer en is er gedeeltelijk functieverlies. Gedeeltelijk functieverlies kan ook betekenen dat er niet gewerkt kan worden vanaf de normale werkplek, maar er ergens handmatige handelingen nodig zijn.

Bij het uitvoeren van reguliere inspecties naar de conditie van de installatie, kun je eerder signalen van geheel of gedeeltelijk functieverlies opvangen. Door het vinden van indicators van functieverlies, kan onderhoud meer gericht worden uitgevoerd.

Laten we een voorbeeld geven. We hebben een pomp die in normaal bedrijf tussen de 100 en 130 liter water in een proces pompt. Als er minder dan 100 liter water het proces in wordt gepompt, kan het proces niet optimaal functioneren. In het verleden vertaalden we functieverlies met het moment dat er helemaal geen water meer wordt verpompt. Maar het meeste functieverlies gebeurt niet van het ene op het andere moment. Om potentiële storingen op te sporen, gebruiken we indicators. Dit kunnen toleranties, druk- opbrengstmetingen, of zichtbare fysieke afwijkingen zijn, die aangeven dat de conditie van de installaties verslechterd.

Omdat het functieverlies niet direct kan worden gerelateerd aan de leeftijd van de installatie, zullen we de indicatoren regelmatig moeten controleren. Als we het voorbeeld van een opbrengstmeting gebruiken, dan kunnen we op een moment aankomen dat er maar 105 liter water wordt verpompt. Aangezien dit dichtbij de grens van 100 liter ligt, zou dit een mogelijke faalmechanisme kunnen zijn (dit wordt aangeven met een ‘P’, potentieel falen). Op het moment dat niets aan de installatie gebeurt, dan komt het moment dat onder de 100 liter water verpompt wordt en het proces gevaar loopt. De pomp pompt nog wel, maar niet genoeg. Dit is een functioneel falen van de installatie. (dit wordt aangeven met een ‘F’, functioneel falen)

Dit is de tegenwoordige definitie van falen, het punt waarom de installatie niet meer aan de gestelde eisen voldoet. De hoeveelheid tijd die verstrijkt tussen het potentieel falen en functioneel falen wordt de PF-interval genoemd. Als de inspecties juist worden ingedeeld en uitgevoerd is het mogelijk om tijdig een functioneel falen te voorspellen. Dit falen, kan dan voorkomen worden door onderhoud of door het vervangen van het betreffende onderdeel.

Onthoud dat als het potentiele falen (P) niet wordt gedetecteerd, de installatie achteruit blijft gaan tot het moment dat het punt bereikt is van functioneel falen (F). Als er genoeg inspectie data is, kun je de PF-interval berekenen en kun je je onderhoud inplannen.

Wat te doen als er weinig data te verzamelen is?

Velen geloven dat het niet mogelijk is om een onderhoudsprogramma op te stellen zonder dat er uitgebreide gegevens over storingen zijn. Maar als we veel gegevens kunnen verzamelen over storingen, hebben we de storingen dus niet voorkomen. Het gevolg daarvan is dat je kunt stellen dat grote hoeveelheden data over storingen een bewijs zijn van het falen van onze onderhoudsprogramma’s. Dit geld natuurlijk nog meer als dat falen grote gevolgen heeft.

Echt maintenance management is het voorkomen van storingen, in plaats van het tellen van de storingen. Score kaarten kunnen je alleen vertellen wat je hebt gedaan, niet wat je zou moeten doen.

Daarom zou het goed zijn om de PF-interval zonder data te definiëren. We kunnen de PF-interval waarde altijd nog aanpassen op het moment dat er data beschikbaar komt. Als we succesvol worden in het ontwikkelen van onze onderhoudsprogramma’s, zullen we niet genoeg gegevens krijgen om ons programma te verfijnen. Dit is dan eigenlijk een goed teken.

 

Scroll to top